Marke van Bork

Marke.

De marke van Borck. (Marke: oorspronkelijk grens) Boermarke 

Ook in Schipborg was bijna al het land in het bezit van de boermarke.
Een boermarke was een georganiseerde samenleving die vanaf de 13e eeuw vorm kreeg. Evenzo als elders was ook in schipborg bijna al het land in bezit van de gezamelijke boeren

Encarta zegt daarover:
Marke oorspronkelijk grens betekenend, werd in de late middeleeuwen en daarna gebruikt ter aanduiding van het door de inwoners van een nederzetting gemeenschappelijk gebruikt deel van het areaal van de nederzetting, dorp of buurschap, waarop door de heer gebruiksrechten waren toegestaan.

 De Boermarke was echter ook een vorm van samenleving waarin vele zaken werden geregeld, onderhoud wegen enz.

As de boerhoorn krunk tussen de lege schuren
Vanof de brink, dan gungen we mekaor integen
Over zaand- en_flintenpadties tussen meidoornhegen
Wij keuzen, volmacht, ette, schulte10 uut de buiren
Wat telde was mandieligheid en naoberplicfit
En bijkans niks bleef hier verbörg,n
Wij dreug,n zwiegend oeze zóörg,n
Verleur,n andern nooit uut ’t zicht.

Gedicht: Timmermans

Linthorst Homan noemt in zijn boek “Geschiedenis van Drenthe”

De poging van de bisschop van Utrecht (13e eeuw) om de hof organisatie in te voeren en daarop politiek en economisch meer vat op Drenthe te krijgen is o.a. een van de oorzaken van het ontstaan van de Marken in Drenthe. De bevolking zou gereageerd hebben met het vormen van marken , om de woeste gronden, hooi- en weilanden in bezit te kunnen nemen. M.a.w. het complete grondgebied van een dorp of buurschap werd geannexeerd. Eigendom van de bevolking. Mogelijk om zich beschermen tegen de hebzucht van de edelen en pastoors. Het feit, dat de kerk ook in het bezit was van een waardeel 11, houdt de mogelijkheid in, dat zij een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van marke genootschappen.

Boermarken hadden boerwillekeuren en/of markerechten en zijn te beschouwen als verordeningen, die alle regelingen bevatten, betreffende de es, de buurschap en het gezamenlijk gebruik van weidegronden.

Al vele jaren drong de regering aan op de verdeling van de markegronden. In 1840 kwam er een wet die bij de verdeling van de marken tijdelijk vrijstelling van lasten toestond. Waardoor de verplichte verdeling van de marken sneller zou plaats vinden. In Schipborg heeft de definitieve verdeling van de marke in 1849 plaatsgevonden. De marke van Schipborg had 9 3/4 waardelen. Later in dit boek wordt aangeven hoe de verdeling van de marke in Schipborg plaatsvond.

De markegrenzen werden vroeger zichtbaar gemaakt met grensstenen en ook met bomen of greppels. Een markante markegrens was bij de Galgenberg, waar een 3-markepunt was met Zuidlaren en Annen. Dit was bij het kruispunt van fietspaden van Schipborg-Annen en fietspad Anloo-Zuidlaren. Hierop kunt U hoe bijzonder de grens liep bij de Galgenberg tussen Anloo, Schipborg, Zuidlaren en Annen. Deze definitieve grenzen werden pas vastgesteld in 1810. Het meest logische zou zijn geweest zou zijn geweest, dat de Galgenberg als viermarkenpunt zou zijn aangewezen. Echter Anloo kwam met de eis de grens een honderttal meters te verschuiven. Aangezien het meest stuifzanden (dus waardeloos) waren had Annen geen bezwaar. Vandaar die vreemde grens.
Vrijwel al deze tekens zijn verdwenen, of niet meer bekend. Bij de aanleg van de N34 verdwenen nog twee grensstenen.


 10 Schalie = hoogste gezagdrager in een kerspel of dorp. (Drenthe kende 20 schultamten). Benoemd door drost.

11 Waardeel = aandeel van een markelid in de gezamelijke gronden van de marke.


 Markegrenzen Schipborg

Het zal nog weinigen bekend zijn, maar dat aan de noordzijde van de marke grens met Zuidlaren een eenzame eik staat, waar in 1775 de meest noordelijke markesteen tussen Zuidlaren en Schipborg werd geplaatst (duidelijk zichtbaar vanaf de N34). Zie grensboom.

Bij de invoering van grondbelasting rond 1650 werden ook de waardelen op hun waarde geschat. Deze marke gaf in 1654 bij de grondschatting de volgende gegevens voor Schipborg. Er waren 9,75 waardelen met een waarde van 1200 Car. Guldens per waardeel (aandeel). Dit betekende dat buiten de vaste eigendommen, 10 eigenerfden12 of “buiren” de rest van alle landerijen samen in bezit hadden. Dit ter bescherming van hun bezittingen.

Ter vergelijk:
Zuidlaren had 28 waardelen met een waarde van 3000 Car. Guldens/waardeel
Anloo had 15 waardelen met een waarde van 800 Car. Guldens/waardeel
Annen had 13 waardelen met een waarde van 1700 Car. Guldens/waardeel

In een willekeur werden de afspraken over het gebruik en het beheer vastgelegd. Rechten werden vastgelegd in waardelen, die onder de eigenerfden werden verdeeld. Verderop in dit schrijven zult U zien, dat er in de volgende eeuwen weinig wijzigingen kwamen in het aantal boeren.
Via de haardsteden registers kunnen wij ong. nagaan wie in vroegere eeuwen in Schipborg hebben geboerd.


 12 Eigenerfde = een landbouwer met eigen erf, is grondeigenaar.


Haardstedengeld.13
In 1606 had de Staten Generaal Drenthe geadviseerd een haardstedengeld in te voeren. Dit als en soort belasting. Na de plundering van Drenthe ( zie verschroeide aarde) was Drenthe juist weer begonnen om zich te hervinden. Te proberen de zaken weer op te bouwen en weer als voorheer een bestaan op te bouwen.
Drenthe legde dit advies naast zich neer.
Enkele decennia wist men deze belasting die in andere gewesten wel werd geheven, buiten de deur te houden. Maar in 1672 waren de kosten van de oorlogsinspanning zo hoog, 3e Engelse Oorlog, o.a met Engeland, Frankrijk en het graafschap Munster, dat besloten werd voor één keer “bij dese bekommerlijcke tijden” een haardstedengeld te heffen.

De haardstede was de grondslag voor het heffen van de belasting. Het haardstedengeld dat nu in 1672 werd opgelegd, moest door alle inwoners van Drenthe worden betaald in twee termijnen, Echter hen die in de veen-ontginningen werkten waren vrijgesteld van andere belastingen. Niet iedereen hoefde echter hetzelfde bedrag betalen.
Men bracht een onderscheid aan dat gebaseerd was op een landdag resolutie van 1666. Toen namelijk hadden de Ridderschap en Eigenerfden beslist dat iedere ingezetene die met 4 paarden de es op ging, een vol aandeel had in alle buurtlasten, en wie met met 2 paarden ter esse ging, een half aandeel. Nu in 1672 werd bepaald dat voor ieder “vol huis”: dus iedere vierpaardsboer, vier gulden moest worden betaald, driepaardsboeren drie gulden, tweepaardsboeren twee gulden en door een keuter een gulden. De grootte van het huis, dat als belastinggrondslag fungeerde, werd dus uitgedrukt in het aantal paarden waarmee de boer het landbouwbedrijf uitoefende. Een boer b.v. met twee paarden en nering (b.v. café) kreeg een aanslag als hebbende drie paarden. Voor een ambacht, nering of een ander ambt werd ook een gulden gerekend.
Geheel onvermogenden, zoals schippers, wevers hoefden 10 stuiver betalen. Armen die van almoezen leefden waren vrijgesteld.
Hoewel in 1672 was besloten het haardstedengeld maar één keer te heffen , werd in 1691 besloten opnieuw naar deze belasting gegrepen om de benauwde financiële situatie te verlichten.
In Drenthe is register gemaakt van de jaren 1672, 1692 t/m 1694, en van 1742 t/m 1804 om de 10 jaar.


13Haardstedengeld = vroegere belasting waarvan voor de hoogte van de heffing het aantal paarden telde. Max. 4.

Informatieve website over Schipborg door de jaren heen